De man die ik een paar uur geleden sprak, zal waarschijnlijk de top vijf halen van meest interessante mensen die ik in het jaar 2008 ontmoet heb. Maar wat zeker nu al de top één gehaald heeft, is de “toevalligheid” van onze ontmoeting. Niets, daadwerkelijk NIETS had mij op dat moment ervan kunnen overtuigen dat er tussen het moment dat ik hem aansprak en ons afscheid meer dan vijf minuten zouden zitten.
Nou ja, daar ga ik al meteen de mist in, want ergens zou ik daar op basis van mijn ervaring en persoon al keihard tegenin moeten gaan. Ik zou beter moeten weten. Maar toch, op het moment dat het gebeurde, had ik dat totaal niet voorzien. En zo kom ik net thuis van een van de meest verlichtende gesprekken die ik in mijn leven heb gehad. En het begon allemaal met iets simpels.
Ik hoef niemand te vertellen dat het op deze tweede paasdag wel uitzonderlijk koud is. Niets doet herinneren aan de jeugd waarin ik in korte mouwen tussen gras en bomen naarstig joeg naar zichtbaar verstopte eieren. Zodoende ging het gesprek van de dag nóg meer dan je als niet-Nederlander voor mogelijk houdt, over het Weer .
Zodoende ook merkte ik op dat de man die ik later op de avond zou aanspreken, het ook wel koud had. En ik kon nog net het uitspreken van een zich daarop aandienende gedachte voorkomen. Maar de gedachte was inmiddels al mijn hoofd ingevlogen en bleef daar minstens net zo hardnekkig zitten. Dus misschien was het wel die hardnekkigheid, misschien één van mijn eeuwige plotselinge opwellingen, misschien (en ik het kader van de op voet zijnde afschaffing van toevalligheden is dat niet eens zo’n heel vreemde gedachte, en in het kader van het gesprek dat erop volgde misschien zelfs volstrekt logisch) was het iets anders, maar voor ik wist dat ik het besloten had, stond ik op om de gedachte van eerder op die avond met de man te delen.
Dus had ik er ook pas erg in toen de woorden mijn mond reeds verlaten hadden:
“Mag ik u wat vragen?”
“ Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?”
Twee zinnen die ik weet niet welke reactie bij de vreemdeling hadden kunnen oproepen. En terwijl dat besef begon te dagen tijdens het uitspreken van het woord meegemaakt, kwam er een nog grotere woordenstroom uit mijn strot gespoeld. Dus in plaats van mezelf eraan te herinneren dat ik wel heel erg vaak de neiging heb om pas veel te laat te bedenken wat ik aan het doen ben en dat dit meestal momenten zijn waarop mijn bewustzijn midden in mijn eigen geratel letterlijk aan de rem trekt en ik mezelf midden in een zin de mond snoer, ging ik door.
Nu om op de mij zo kenmerkende veel te uitgebreide wijze iets heel simpels uit te leggen. Hoe ik daar had zitten denken dat het wel heel erg koud was toen ik die man zag en hoe ik bedacht hij daar vast anders over zou nadenken omdat het tijdens de Hongerwinter nog veel kouder was geweest. Hoe ik vervolgens bedacht dat het maar goed was dat ik dat laatste niet hardop gedacht had, omdat die man dat wel eens heel verkeerd zou kunnen opvatten en dat ik dat absoluut niet zo bedoeld had, maar dat het kwam doordat het zo koud was.
En ik zou hebben doorgerateld over hoe ik me in de jaartallen vergist had en dus had bedacht dat niet de Hongerwinter, maar de Watersnoodramp in 1953 was geweest en dat ik die man in mijn gedachten dus per ongeluk veel ouder had ingeschat dan ik had bedoeld. Maar toen was daar weer mijn bewustzijn. En ik stopte midden in mijn zin en vroeg me af hoe ik zelf zou reageren als iemand met zo’n verhaal op me afkwam terwijl ik net aanstalten maakte om te vertrekken. Mijn linkerwenkbrauw fronste al bij het idee, maar de rechter ging mee omhoog toen ik de reactie van de man hoorde. Ook hij sprak twee zinnen.
“Dat was inderdaad koud, ja”
was de eerste zin en achteraf glimlach ik breed om het besef van de humor van de droogheid waarmee hij die zin uitsprak. Maar toen kon dat niet tot me doordringen, want nog los van het feit dat ik dat antwoord zeker niet verwacht had, kwam er iets nog veel onverwachter achteraan.
“Maar het is grappig dat je dat vraagt…”
En die zin luidde een totaal andere wending van die dag in. Al met een bijzondere dag. Vooral als ik bedenk dat de dag begon in IKEA, het Walhalla van Kansloosheid. Tussen al die mensen die allemaal per se op deze specifieke dag op die specifieke plek wilden zijn bedacht ik dat we wel erg ver heen zijn met zijn allen. Maar blijkbaar leek het een heleboel mensen een heel goed idee om voor elf uur ’s ochtends daar een ontbijtje te delen. Ik wist op dat moment niet hoe snel ik er weg moest komen, wel dat. En via een lange omzwerving, waarin ik een prachtige kerk van binnen heb bekeken, een heel mooi moment van vriendschap gedeeld heb en ook eens een film gezien over de wereld waarin mijn ouders hun eerste volwassen jaren in doorbrachten. Uit die film is één zin me bijgebleven en in het kader van deze bijzondere dag, maar vooral in het kader van het hoogtepunt van die dag dat begon met die bizarre uitsfloepvraag, wil ik het hiermee voor altijd herdenken door ermee af te sluiten. (Ook omdat ik gisteren een bijna dergelijke zin bedacht en omdat toevalligheid is afgeschaft).
“Als ik naar bed ga ben ik een ander mens dan degene die diezelfde ochtend opstond. Elke dag”
(van dat laatste weet ik trouwens niet zeker of ik het er niet zelf bij heb gedacht, maar goed, het was in ieder geval wel zo bedoeld).
En tot slot, omdat ik altijd de goede hoop blijf houden dat ik al dit geblog op een goede dag eens terug zal lezen, wederom een note to myself om nog iets te doen met die theorie over de kip en het ei. Volgens mij had ik daar een oplossing voor bedacht, maar vergeten op te schrijven.
En tot eindslot, omdat ik het toch wil houden bij waar het nou echt om ging, een laatste woord speciaal voor de man van de Hongerwinter van 1953:
Bedankt, Duizend Maal